QUANTUM INTERFERENCE
[vandaag stuur ik je een kort verhaal dat ik eind 2024 schreef voor het boek '80 keer 2 minuten' van comité 4/5 mei]
[ter info: dit verhaal speelt zich af in het jaar 2500, en niemand weet wat daar gaat gebeuren, dus ook ik klooide maar wat aan]
veel leesplezier, x, Lisa
QUANTUM INTERFERENCE
dag 265
Ik kijk naar de jongen die net nog pamfletten maakte op een naar inkt stinkende drukpers en nu uitgeschakeld op de grond ligt. Ik veeg mijn handen schoon aan mijn pak, leg het geweer op zijn houten werkbank en zoek naar een uitgang. Een deur, een trap, iets waar ik zijn lichaam naartoe kan slepen. Een plek waar hij lang genoeg ‘kwijt’ kan zijn tot hij vergeten wordt. Ergens waar zijn dode lichaam niet tot een volgende golf van opstand leidt.
Ik loop onhandig op de tast door de ruimte, tot ik een klein trapje in de hoek van de slecht verlichte ruimte zie. Ik duw mijn oog tegen het sleutelgat en zie een verlaten tuin vol opgestapeld hout, ergens hoor ik water stromen. Ik breek de deur open, sleep het zware lijf van de jongeman aan zijn benen de vijf treden op, duw met mijn kont de deur open en trek hem naar de smalle rivier. Daar rol ik hem het water in en wacht tot hij uit het zicht gedreven is.
Varza zei het al: deze baan is stomvervelend. We weten nooit waar we terechtkomen als we het pak aantrekken, de bril opzetten en onze strakke handschoenen om onze vingers laten glijden. Over de context wordt ons nooit iets verteld. Weten waar we precies heen gaan is verboden: anders zouden we wel eens kunnen gaan geven om de mensen die we om zeep moeten helpen.
Terwijl ik het systeem opnieuw opstart, de bril afzet en de essentiële zaken noteer – dag 265, TEST 689: man, in de twintig, drukpers, in nabijgelegen rivier gerold - hoor ik Varza’s woorden weer in mijn hoofd: ‘schuld laten verdwijnen is de grootste schuld van allemaal. Ze zijn gek geworden dat ze ons dit laten testen, je kan de geschiedenis niet wissen.’
Ik doe mijn bril weer op en wacht tot ik op een nieuwe plek gedropt word. Ik beweeg wat rond door de grijze ruimte terwijl de computer aan het laden is en denk aan Varza, tegenover me aan haar keukentafel, een paar maanden terug. Ze hield haar kop koffie in haar handen geklemd en had een donker soort ernst in haar ogen die ik nog nooit had gezien: ‘Een quantum interference machine, ze zijn al maanden aan het testen. Al ons onderzoek naar herinnering en al onze archiveringswerkzaamheden worden straks gestaakt. Dit wordt de main focus: alle duistere geschiedenissen wissen, de briefings liegen er niet om. Ze vinden zichzelf helden.’
Varza en ik raakten bevriend op haar eerste werkdag. Zij werkte bij Research & Development en was spraakzaam en eigenwijs, ik leefde tussen de dossiers en was stil en bedachtzaam. In lange, trage processen maakte ik de archieven en herinneringen tastbaar voor publiek: in gesimuleerde werelden konden ze naar het verleden reizen, om te zien hoe het was in tijden van opstand, revolutie, conflict en oorlog. Het fysieke element leek veel meer impact te hebben dan enkel woorden op papier, of foto’s. Herinneringen leven nu eenmaal het beste in lichamen.
Toen Varza voor het eerst over de quantum interference machine en de nieuwe plannen van ons herinneringscentrum begon te vertellen, begreep ik niks van wat ze zei, maar nu ik dit werk een paar weken doe, begin ik het langzaam te snappen, geloof ik: schuld proberen om te keren, door dingen nooit gebeurd te laten zijn, is een regelrechte ramp. Varza had gelijk: ‘het kantelpunt van geweldspleging of onderdrukking omdraaien, het smalste punt in de tijd proberen te vinden waarop dat begint, is godsonmogelijk. Ik bedoel, natuurlijk wil je geen geschiedenis vol geweld, maar het weghalen is net zo goed levensgevaarlijk.’
Ze was begonnen te huilen en had mij gevraagd wat we moesten doen. Ik dacht aan hoe we jaren bezig waren geweest met het bewijzen van onze tachtig-jarentheorie: de slachtofferkring met de minder sterke stem moet altijd wachten tot de sterkste stemmen genoeg monumenten hebben gekregen, dan pas zijn zij aan de beurt. Dit kan wel tachtig jaar duren. Ik dacht aan hoe alle stillere stemmen zouden verdwijnen. Ik probeerde me voor te stellen hoe roerloos de geschiedenis zou zijn.
dag 349
‘Geen gewelddadige geschiedenis meer!’ opent Jacques van Team Quantum-Interference de ochtend via het videoscherm, ‘een prachtig streven, we zijn er bijna! Dankzij jullie eerste tests, die we gelukkig nog kunnen terugdraaien, zien we de flaws en de possibilities! We zijn er nog niet, maar R&D gaat hard! De tussentijdse resultaten en datasets vliegen me om de oren! We hebben zelfs een extra team aangenomen.’
Kort draait hij de camera: achter hem zwaaien acht jonge mensen naar me, ze glimlachen breed. Ik zwaai ongemakkelijk terug.
‘De computers rekenen, wij tweaken, over een paar jaar leven we in een samenleving bevrijd van oude pijn.’
Aan het eind van de meeting wijst hij met twee duimen naar zichzelf en dan met zijn wijsvingers naar mij, alsof zijn handen pistolen zijn: ‘piew piew,’ zegt hij ‘it’s you and I, van TMI!’
Ik heb zin om mijn laptop uit het raam van het onderzoekscentrum te gooien.
dag 351
‘Zeven generaties,’ zegt Varza me die middag bij de lunch, ‘zo ver reist intergenerationeel trauma. Jacques wil de pijn van die zeven generaties terugdraaien, hun het leed compleet besparen.’ Ze slurpt een lepel soep naar binnen. ‘Maar de tijdspunten waarop hij dingen wil terugdraaien, differentiëren de hele tijd. De berekeningen blijven maar verschieten. Ze vinden steeds een aanstichter, een zaadje van een soort kwaad, en als dat zaadje geëlimineerd is, verschijnt er ergens anders, eerder of later, weer een nieuw persoon met dezelfde soort ideeën. Het kan niet ook maar een iemand zijn, maar dat wil hij niet horen.’
dag 357
De dagen worden steeds verwarrender: ik kom in zoveel verschillende punten van de geschiedenis terecht, dat ik ’s avonds in bed lig en niet meer weet of ik in mijn echte tijd ben of een andere, heden en verleden kronkelen door elkaar heen. Ik lig in bed en staar naar het plafond, denk aan de vier punten in de tijd die ik vandaag heb bezocht, aan de vier mensen die ik moest zoeken en niet heb gevonden. Jacques zei bij de afronding van de dag dat zulke fouten niet meer gemaakt mogen worden, zeker niet als we straks live gaan. Ik antwoordde dat hij dan zelf maar moest gaan.
Ik kan niet slapen en denk aan vorige week, toen Varza me vroeg wat het eigenlijk is, herdenken. We wandelden door het park rondom het onderzoekscentrum, waar bezoekers oude oorlogsherinneringen van anderen konden binnengaan. Via 3D-brillen konden ze naar allerlei oorlogsgebeurtenissen toe: naar ondergrondse gangen waar mensen scholen voor bommen, raamkozijnen van waaruit ze zagen hoe mensen uit hun huizen gejaagd werden en in laadwagens werden gestopt, zolders van boerderijen met onderduikers, transporttreinen tussen jonge Oekraïense meisjes. In bergdorpen zagen ze van een afstand bussen vol mannen wegrijden, in de rij van een werkkamp stonden ze tussen de Roma en de Sinti, ze voeren door rivieren in Vietnam, bevonden zich tussen protesterende Oeigoeren die werden opgepakt, liepen mee met demonstraties in Minsk en luisterden naar radio-uitzendingen ergens in een klein dorp in Rwanda. Nooit zagen ze dode lichamen, nooit bloed, het ging in het herinneringscentrum om de aanloop, de context, de afloop, de daden die zouden leidden tot. Menselijk handelen in oorlogstijd kent vele vormen, dat probeerden we in het centrum te laten zien.
‘Waar begint en eindigt het dan,’ vroeg Varza. ‘Met wie? Als Jacques onze technologie gaat gebruiken om de geschiedenis te verkrommen en het herdenken onnodig te maken. Wie zijn wij dan? Vervagen dan onze herinneringen? Dit kan toch niet goed gaan?’
dag 359
‘We moeten iets doen,’ zegt Varza bij de lunch. ‘We vernietigen iets wat niet vernietigd kan worden. Hoe nobel die Jacques zichzelf ook vindt, dit klopt niet.’
Ik kijk haar aan en draai met een frietje in mijn mayonaise.
‘Je moet me helpen,’ dringt Varza aan. ‘De stekker moet eruit.’
dag 360
Varza is niet in het centrum. Haar stoel is leeg, haar testruimte ook. Ik bel haar meerdere malen, maar ze neemt niet op. Vanaf mijn laptop probeer ik Jacques te bereiken. Als hij mijn videocall aanneemt, verschijnt er achter hem een geheel grijze ruimte.
‘Ja?’
‘Waar is Varza?’
‘Overgeplaatst. Ze bleek toch niet zo geschikt. Ze snuffelde rond in mijn kantoor. Zeker nu we echt gaan beginnen met het wissen hebben we pottenkijkers zoals zij niet nodig.’
‘Echt beginnen?’
‘Volgende week. We beginnen op 28 juni 1914.’
Achter hem verschijnt een veld vol loopgraven.
‘Nu moet ik even door. Je krijgt de briefing vanzelf.’
Hij hangt op.
Ik bel Varza weer. Haar telefoon gaat lang over. Na een tijd neemt ze op. Maar ze zegt niks.
‘Varza?’ fluister ik, als ze na een minuut nog steeds stil is. ‘Varza, waar hang je uit? Varza ze gaan beginnen.’
‘Vanavond, in je huis, je ziet het vanzelf,’ hoor ik haar fluisteren. Haar zin klinkt zo kort dat ik het gevoel heb dat ik het me inbeeld. Dan wordt de verbinding verbroken.
In de gang van mijn appartement vind ik een envelop. Hij is onder de deur door geschoven, op de onderkant van de envelop zitten grijze strepen – ik moet vaker stofzuigen. Ik heb zo lang geen envelop meer gezien in het normale leven, behalve in het archief, dat ik een tijdje verward in mijn gang naar het papieren object sta te kijken. Anna, staat erop. Ik heb Varza’s handschrift nog nooit gelezen. Het ziet er kriebelig en jong uit, naïef bijna, als van een kind: de vier letters van mijn naam verschillen van grootte, de tweede A heeft een dikke, hangende buik.
Kort denk ik aan een herinnerings-herinnering uit ons onderzoekscentrum, die heel goed bezocht werd. Het was een video-interview met een vrouw. Ooit namen haar ouders haar mee naar het getto van Krakau, naar een huis waar in de Tweede Wereldoorlog heel veel Joodse mensen bij elkaar werden gepropt. Daar, in een van de trappenhuizen hingen kindertekeningen aan de muur. De vrouw vertelde tegen de camera: ‘de kindertekeningen waren precies hetzelfde zoals ik ze maakte toen ik jong was: groen voor de aarde, blauwe strepen voor de lucht, stokjes-mensen, een gele ronde zon. Het was of ik in de tijd van die kinderen was en zij in de mijne. Alsof het overal en nergens oorlog was. Alsof tijd helemaal niet bestond en ze hier gisteren nog woonden.’
Ik raap de envelop op en ga ermee aan de keukentafel zitten. Ik veeg een tijdje over het papier tot ik de envelop open. In de envelop zit een briefje:
Lift 4, links van servicebalie
Code lift 8467
verdieping 14
Naar rechts, ruimte -14.45
Succes, x
In vijf kleine sealzakjes zitten vijf vierkante velletjes met daarop verschillende vingerafdrukken, links onder elke vingerafdruk staat een letter, weer in dat kinderlijke handschrift: D, W, M, R, P. Het duurt een paar uur denken en door mijn appartement heen en weer lopen, voor ik door heb wat ik met de vijf stukken papier moet doen.
dag 362
Zodra ik het pand van het herinneringscentrum binnen ben, zet ik in mijn testruimte mijn bril aan en laat ik de software een volgende locatie laden, waar ik de volgende test-wis moet uitvoeren. Dan maak ik rechtsomkeert, neem de vierde lift, links van de servicebalie. Terwijl ik kijk of iemand me ziet, druk ik de viercijferige code van de lift in. Opeens licht er een hele nieuwe rij liftknopjes op, die ik nog nooit heb gezien. Ze zijn groen en gaan allemaal naar ondergrondse verdiepingen. Ik druk op -14 en wacht tot de deuren sluiten. De hal waarop ik uitkom is warm, overal zoemen geluiden. Van de zenuwen loop ik eerst naar links in plaats van naar rechts. Ik passeer ruimtes met wanden van matglas. Erachter bewegen mensen. Ik hoor ze praten met gedempte stem, maar zie niet wat ze aan het doen zijn.
Bij ruimte -14.45 houd ik eerst de vingerafdruk met de D voor de rode laser, dan die met de W, dan die met M, R, P. De deur zucht voorzichtig open. Als ik binnen ben duw ik hem dicht, wat heel lang duurt, want de dranger geeft niet mee. Ik moet even wennen aan de ruimte, en zie dan dat overal grote kasten staan waar lichtjes in knipperen. Ze zoemen zo hard dat ik mijn eigen voetstappen in de ruimte niet meer hoor. Boven elke kast hangt een plakkaat: quantum interference 1948 - 2028; quantum interference 1914 - 1918; quantum interference 7 April 1994 – 19 Juli 1994; quantum interference 2024 – 2027; quantum interference 1933 – 1945; quantum interference 1946 – 1949; quantum interference 2156 – 2162; quantum interference 1992 – 1995; en ga zo maar door. Het aantal kasten gaat nog honderden meters door, de diepe ruimte in.
In het midden van elke kast knippert traag een grote blauwe vierkante knop, als een sloom, kloppend hart: quantumerasure, green when turned on.
Ik zoek mijn telefoon en bel Varza.
‘Ben binnen,’ zeg ik zodra ze opneemt.
‘Blauwe kabels,’ antwoordt ze.
‘Wat?’
‘Blauwe kabels, achterkant.’
Ik loop naar het einde van de gang en zie en smalle spleet waar ik precies doorheen kan.
‘En nu?’
‘Trek ze eruit.’
‘Allemaal?’
‘Allemaal.’
Ik knik gehoorzaam, bedenk dan pas dat ze me helemaal niet kan zien.
‘Oke.’
‘Dank, Anna. Dank dat je te vertrouwen bent.’
Met een piep is ze verdwenen.
Langzaam schuifel ik met mijn rug tegen de muur gedrukt langs de laatste kast van de ruimte. Als ik er bijna door ben, hoor ik snelle stappen in de ruimte. Een hand grijpt mijn enkel. Als ik mijn telefoonzaklamp op mijn onderbeen richt, schijn ik recht in de ogen van Jacques.
‘Ik dacht het niet,’ blaft hij.
‘Ik dacht het wel,’ zeg ik, terwijl ik me vastgrijp aan de achterkant van de kast, en hem probeer weg te schoppen. Jacques heeft me inmiddels met twee handen vast. Hij sjort als een bezetene aan mijn been. Het verzet, glipt er even door me heen. Zei ze dat nou echt? Op mijn netvlies vliegen duizenden archiefstukken voorbij: dun en kwetsbaar papier, zwarte, langzaam uitgelopen letters, getikt op typemachines. Ik denk aan video’s van mensen op straten en pleinen: ze dragen vlaggen en lopen in grote colonnes langs overheidsgebouwen, ze schieten met vuurwerk op zwaar ingepakte politiesquadrons die hen eerder tot bloedens toe in elkaar sloegen omdat ze opstonden voor democratie. Ik raak zo afgeleid dat ik grip verlies. Voor ik het weet, glijd ik onderuit en kom met een klap op de betonnen vloer neer. Even is alles zwart.
Als ik weer bijkom lig ik midden in de ruimte. Ik proef bloed in mijn mond, mijn tanden zijn op mijn wang geklapt. Mijn slapen suizen. Jacques beent heen en weer rond mijn slappe lichaam.
‘Oke,’ zegt hij, ‘oke oke oke oke. Geen probleem. Geen probleem. Het is maar een iemand. Zij is te overzien.’
Ik begrijp niks van wat hij zegt, ik word duizelig van zijn dramatische geijsbeer.
‘Jacques,’ zeg ik. ‘Het is gewoon niet zo’n goed idee.’
Hij stopt niet met lopen, begint alleen maar sneller rondjes te maken. Ik kan zijn zweetsokken ruiken. Dan houdt hij opeens stil en gaat recht voor mijn gezicht staan. Hij bukt zich en briest in mijn gezicht, met veel klodders spuug.
‘Nee? O nee? Wat zei je vriendinnetje?’
‘Wat?’
‘Dat ik geen held ben? Mijn nobele plan egoïstisch?’
‘Jacques, doe even rustig joh.’
Ik hijs me overeind en knijp mijn ogen dicht als hij zijn hoofd tegen mijn hoofd duwt.
‘Ik zal het je laten zien,’ sist hij.
Hij doet alle lichten in de ruimte aan en rent naar de kast met daarop het bordje quantum interference 1933 – 1945. Hij opent het glazen deurtje dat voor de kast zit en drukt op de blauwe knop. De knop begint sneller en sneller te flitsen, tot die groen is. De kast begint hard te rommelen, als een woeste wasmachine tijdens het centrifugeprogramma op 1400 toeren. Het zoemen wordt luider en luider. De lichtjes in de kast flikkeren als een gek aan en uit. En dan, alsof hij nooit bestaan heeft, is Jacques weg. Alleen zijn kleren liggen blijven achter, een treurig hoopje op de koude betonnen vloer. Ik sta op, loop naar de kast en duw de grote knop weer in, tot ie blauw is. Met een bonkend hoofd schuif ik achter de kast, trek alle blauwe kabels uit de machines. Ze lijken nog te zoemen, maar net iets minder hard.
Buiten het gebouw gooi ik Jacques’ kleren in een prullenbak en bel ik Varza weer.
‘Alles gedaan?’
‘Alles,’ zeg ik.
‘Welkom bij het verzet.’



